Leo Olierook Fishing Adventures

    Homepage || Witvisverhalen|| Visverhalen uit de oude doos
 

    
 
Visverhalen uit de oude doos


Sinds 1965 ben ik eigenlijk de hengel gaan hanteren. Ik was toen 17 jaar.
Mijn visspullen kocht ik bij een hengelsportleverancier in Den Haag, Jan Koolmoes genaamd en die was gevestigd in de Koningstraat..
Dat ik daar vrij veel geld voor visspullen naar toe heb gebracht, is een waar feit, want mijn vishonger nam alleen maar toe en steeds meer breidde ik mijn hengels en toebehoren uit.
Het begon met vissen in de singel, vlak bij mijn ouderlijk huis in de Rubenstraat, op de brasem en blankvoorn en ik zou even daarna het zeevissen ook tot een ( korte) liefhebberij gaan maken.

Een mooie ruisvoorn uit de wateren van de Woerdense Verlaat 1976.


Op een later tijdstip ging mijn interesse uit naar het vlokvissen op ruisvoorn, snoeken en karpervissen en wat een prachtige sport is dat.
Ik heb samen met mijn neef Leo van de Brand (naamgenoot) een vreselijk groot aantal karpers weten te verschalken uit de Soestdijksekade, Wennetjessloot en Madestein, maar ook de sloten rondom de autobandenfabriek Vredestein op de Haagweg.

Wennetjessloot ( verbrede stuk) op de achtergrond de Lozerlaan.


Leo wist zelfs de karpers, die in het zonnetje lagen te bakken, met zijn schepnet in een haal uit het water te krijgen.
De karpers wisten niet wat hen overkwam.

Uit deze kom aan het Erasmusplein heb ik vele karpers mogen landen. Het verkeer was nauwelijks te horen.


Later zijn we een aantal keren naar een toen bekende karperput gegaan, Andijk in de kop van Noordholland, maar dat was een flink eind weg en daar zijn we mee gestopt omdat we uren in de auto zaten en de grootte van de karpers tegen viel.

Een karpertje uit een karperput in Andijk, Noordholland 1978.


Honderden karpers hebben we gevangen, met de drijvende broodkorst, met wormen en maden, deeg, kaas, roggebrood met stroop, want de boilie bestond toen nog niet.

Wederom een karpertje uit de karperput Andijk in Noordholland 1977.


Hoe eenvoudig was toen het vissen wel niet. En wat sleepte je eigenlijk mee naar de waterkant, vergeleken met nu?
Een hengel, een kleine tacklebox met haakjes, dobbertjes, lood, hakensteker en wat klein spul, een vouwbaar stoeltje en een tasje met wat brood, doosje maden of wormen om te vissen en een schepnetje.
Als je al thuis gegeten had, nam je niets te eten mee en als het een langere vissessie zou worden nam je een paar sneden belegd brood en een half liter melk mee.

Mooie schubkarper uit de Wennetjessloot met een drijvende korst 1975.


Een paar jaar later nam je een thermosfles met koffie mee, een eenpits gasstel met een koekenpan om een eitje of een hamburger te bakken, een grotere vistas en een betere visstoel, maar ook een grote paraplu. Moet je tegenwoordig zien wat je allemaal in je eentje meesleept, het past soms net in je auto. De vissessies werden ook langer.
Ook zag je het nut van het voeren van je visplek in, want dat verzekerde je er van, dat er meer vis op de kant of in de boot kwam.

Deze prachtige schubkarper werd gevangen met een drijvende korst in de wateren van Madestein 1981.


De Haagse wateren waren spectaculair en zorgden voor vele karpers, maar je nieuwsgierigheid naar andere plassen en wateren buiten de stad waren ook aantrekkelijk.
Een perfect water was toch wel het natuurgebied van Piet Groeneveld, Hollandse kade 6 in de Woerdense Verlaat in Noorden.
Hij had drie meren waar hij graskarper in had uitgezet en dat kon je zien ook.
Geen plompenblad of wier te zien en de grassprieten aan de waterkant waren net boven het waterniveau afgesabbeld.
Met een van zijn ca. 25 bootjes roeide je naar een van de meren en legde de boot met steekstokken vast, ongeveer een twintigtal meters van de kant.

En nu maar wachten op een aanbeet van de graskarper. 1980


Je zorgde er voor, dat je de wind in de rug had, want dat vereenvoudigde het gooien met een gedoopte vlok brood en een vlokdobber met een centraal gaatje.
De apart ingeworpen losse broodkorsten dreven door de wind op deze manier naar de rietkraag toe waar de graskarper zich pleegde op te houden.

We hadden al verhalen gehoord van andere vissers die er al waren geweest en graskarper hadden gevangen. Zij wisten ons te vertellen, dat het niet in verhouding stond met het vangen van een gewone karper, vanwege zijn kracht en onvoorspelbaar gedrag.
Dat maakte ons nieuwsgierig en ook wij wilden wel eens een graskarper vangen en meemaken wat zij ervaren hadden.

Een van de graskarpertjes van Piet Groeneveld in de Woerdense Verlaat te Noorden 1980


En het was spectaculair.
Wat een power hadden deze graskarpers, ze bleven gaan en tot onze verwondering kwamen ze zelfs naar je toe zwemmen en zwommen onder de boot door en soms om je steekstokken heen.
Wat een fantastische sportvis!
Je moest alles uit de kast halen om de vis niet te verspelen en dat kostte menig zweetdruppeltje.

Een prachtige graskarper uit het water van Piet Groenveld, Woerdense Verlaat in Noorden 1982.


Dat water, die prachtige meren in het natuurgebied, de Woerdense Verlaat, liet ons niet meer los.
Elk weekend waren we er te vinden.
We visten er van s morgens vroeg tot s morgens vroeg, de hele dag en nacht achter elkaar.
Want we konden gewoon niet stoppen met vissen.
In het begin had ik de grootste problemen thuis, want mijn vrouw dacht dat ik een ongeluk had gehad of in het ziekenhuis was beland.
Helemaal in paniek was ze.
Ik heb ook tegen haar gezegd, dat ik geen tijd meer zou afspreken wanneer ik weer naar huis zou komen, omdat de visvangsten soms zo bizar goed waren, dat je gewoon niet naar huis kon gaan zonder al die gigantische vangsten te missen.
Tja, mobiele telefoons had je toen nog niet.

Een prachtige rode rijder in de avond gevangen met zeer , zeer veel muggen om ons heen.1983


Tijdens een onderlinge viswedstrijd met clubleden van Castingclub s Gravenhage, ving ik 1000 ruisvoorns in 2 dagen.
Hoe houd je de tel bij, zou je zeggen.
Mijn toenmalige vismaat en lid van de Castingclub, Peter ten Hoorn, zat bij mij in de boot en had er zon 650 stuks en was er helemaal lyrisch over.

Peter ten Hoorn en de schrijver van dit verhaal roeien naar de hotspots 1983.


Nog nooit in zijn leven had hij zon formidabel aantal ruisvoorns gevangen en was dolenthousiast.
Ik zei nog tegen hem, onthoudt dit maar goed, want dit gaan we niet meer meemaken.
Deze dagen zijn zo uniek, dat je ze waarschijnlijk op kan tekenen als zeer bijzonder.

Deze ruisvoorn ving ik twee keer vlak achter elkaar ( zie de gekromde staart) 1980.


Waar je met je vlokhengel en je dobbertje met centraal gat en een vlokje aan je Aberdeenhaakje in het water gooide, had je een aanbeet.
Fanatieke aanbeten van mooie ruisvoorns en die moest je met man en macht met je dunne nylonlijn van 10 of 12 oo over en langs de plompenbladeren koersen.
In de plassen lagen de ruisvoorns werkelijk gestapeld.




Enige jaren later ging ik met Theo de Wit naar deze plassen en wat een feest waren ook die dagen, avonden en nachten. Onze korte grafiethengeltjes van ca. 1.70 stonden tot aan de kurkenhandvatten krom en elke aanbeet voelden wij tot in onze ellebogen.

Weer een mooie rode rijder aan de Aberdeen haak, ditmaal aan een aantal maden 1984.


Wij konden gewoon niet ophouden na een hele dag vlokvissen. Tegen de schemer zette wij de boot vast met steekstokken, ongeveer 20 meter van een eilandje in een van de meren.
Tot aan het donker gooiden wij onze gedoopte korsten richting het eiland, tot vlak voor de rietkant. Deze handeling zou ons veel gemak brengen, want op deze manier gooiden we blindelings en feilloos onze vlok in het donker op de juiste plekken.

Rode rijder, gevangen met de Daiwa Mini-Mite molen met 12.oo nylon 1978.


Even voor we geen hand meer voor ogen zagen, verwisselden wij onze vlokdobbers voor dobbers waar je een langwerpig lithiumbatterij in kon aanbrengen.
Het verlichte puntje weerkaatste in het water op een zodanige manier, dat we twee verlichte puntjes in en boven het wateroppervlak zagen.
Zodra die twee puntjes naar elkaar toe gingen had je beet en dan was het moment aangekomen dat je moest slaan.
Wat een genot om zo de ruisvoorn te vangen in het stikdonker.
Naarmate de nacht vorderde werden de ruisvoorns ook groter van formaat, maar ook de snoeken werden actiever.
Het was dan ook weer elke keer schrikken als in het donker de snoek een poging ondernam om de gevangen ruizer van je af te pakken. Met een snelheid, die je niet voor mogelijk houdt, schoot hij uit het water en deed een greep naar de vis.
We schrokken ons telkens wezenloos van dat geweld.

Nachtsessie op de ruisvoorn met Anneke Koun en fotograaf Ton Boon 1976.


Ook was de ruisvoorn met de vliegenhengel, met droge of natte vliegen te belagen maar de vangsten waren wat minder spectaculair als met de vlok.

Het vliegvissen had ik geleerd van Ome Klaas Pigge toen ik lid van de Castingclub
s Gravenhage was geworden. Een Castingvisclub opgericht in 1954 met een verzamelplaats t Hokje genaamd, aan de Cremerweg in het Westbroekpark in Scheveningen voor vliegvissers en casters ( precisiewerpen met de vlieg- en vlokhengel)

Willem Vink, Ruud van Leeuwen ( penningmeester), Ab van Ooijen ( Voorzitter) en Leo Olierook ( Secretaris en auteur) 1985.


Ook werden er vliegbindavonden gehouden en viswedstrijden georganiseerd.
Ik kwam binnen als lid en al spoedig was ik de man die elke maand het clubkrantje Castingnieuws verzorgde met verhalen en tekeningen. De voorzitter nam het stencilen van het blad voor zijn rekening. Enige jaren later werd ik gekozen als secretaris. Vele bekende vissers en vliegvissers in Nederland hebben hun opwachting gemaakt en zijn lid geweest van deze club.

Een van de getekende bladen door de auteur. die in het clubblad Castingnieuws zat.


De T achter het woord wil(t) werd door de voorzitter Ab van Ooijen verwijderd, omdat hij van mening was dat het fout geschreven was.


Als uit Belgi de club van Guido Vinck naar de Castingclub kwamen om weer eens onderling een wedstrijd te houden ( snoekvissen, graskarper, ruisvoornen ) dan was het altijd dolle pret. De wedstrijden werden altijd gehouden op de plassen bij Piet Groeneveld in de Woerdense Verlaat te Noorden. We waren daar echt kind aan huis.

Guido Vinck in het midden met het rode petje, leden van castingclub Belgi en castingclub s Gravenhage bij schuur van Piet Groeneveld
De auteur van het verhaal staat rechtsboven met een camouflagehoed op. 1985.



We hebben in die loods wat afgelachen, koffie en versnaperingen genuttigd en familie Groeneveld was altijd zeer gastvrij en behulpzaam.

De klad kwam er in, toen de prachtige plassen en de boswetering door een baggerbedrijf werden uitgebaggerd. Dat zal rond 1988 geweest zijn.
Piet Groeneveld besloot om het baggerbedrijf een halve tot een hele meter extra te laten uitbaggeren, dit ten behoeve van eigen gewin.
Hij heeft met deze opdracht het vissen op deze unieke plassen onbedoeld de nek omgedraaid.

Geen plompenblad wilde meer groeien, ondanks zijn verwoede pogingen de wortelstokken in het relatief te diep uitgebaggerde water wortel te laten schieten. Volgens zijn zeggen kwam er te weinig licht bij om ze te laten wortelen.
De plassen lagen er troosteloos bij en de plompenbladvelden waren voor het grootste deel verdwenen.
Ook de vangsten werden er door benvloedt, want de grote aantallen ( grote) ruisvoorns waren verdwenen, maar ook de snoek was er bijna niet meer te vinden en die er waren, waren uitgehongerd.

Een zeer magere snoek na de baggerperiode.


Het zou waarschijnlijk ook vele jaren duren, voordat de plassen zich zouden herstellen en na een reeks vissessies op de snoek, ruisvoorn en karper, was de schade na het baggeren voor velen duidelijk.
Het unieke water was er niet meer, dat was misschien wel voorgoed verdwenen en het zal heel wat jaren duren voor het weer acceptabel is voor de vele vissers.
Helaas, ook dat bleek te hoog gegrepen.
Vlak voor Piet Groeneveld overleed, hij had verregaande long-emfyseem, heeft hij een groot gedeelte verkocht aan Natuurmonumenten.

De ene nachtssessie volgde op de andere.


De graskarperplassen werden opgeheven, de balken en het gaas verwijderd en de graskarpers zwemmen nu vrij rond in de wetering aan de Bosweg en de overige plassen, waar je van Natuurmonumenten echter niet meer in mag vissen.

Een van de duizenden ruisvoorns die ik in de loop van de jaren heb gevangen.

Alleen de Boswetering aan de Bosweg mag je nog bevissen vanaf de kant en niet meer vanuit een bootje. De vergunningen van 2.50 euro worden o.a.door de brugwachter voor de Hollandsekade verstrekt vanaf 9.00 uur s morgens.

De zoon van Piet ( Peter) heeft alleen nog maar de eerste plas, waar het eiland in het midden aanwezig is en natuurlijk het water langs de Hollandse Kade overgehouden.


In de eerste plas liggen nog een klein aantal bootjes en die worden slecht onderhouden.
Ze staan elke keer vol met water, zodat er maar weinig nodig is om ze te laten zinken.
De steekstokken zijn zoek of verdwenen.
Dit staat schril tegenover de service die je als visser van zijn vader heb gekregen, want Piet stond op voor dag en dauw en verzorgde de bootjes. De bootjes lagen er altijd schoon en droog bij en je hoefde nooit te zoeken naar steekstokken.

voorzichtig roeien naar de plek, om de ruisvoorns niet te verstoren.


Bij het huren van een bootje ( 9.- euro ) en het kopen van een vergunning bij Peter Groeneveld, ( 3.- euro) werd een tijdje niet gepraat over de beperking om te vissen waar je wilde.

Dus de visser die het niet wist, roeide rustig naar de plassen van Natuurmonumenten en werd daar door de patrouillerende boswachters van Natuurmonumenten op aangesproken en worden bij herhaling bekeurd.
Dat de graskarpers daar nog zitten en in de jaren flink zijn gegroeid, is een waar feit, want in twee uur tijd hadden mijn vismaat en ik er drie op de kant van 20, 21 en 22 pond.

Prachtige graskarper van 22 pond en door een eerdere visser beschadigd, want er ontbraken enige schubben. Deze werden alle drie gevangen met de drijvende korst (2) en een flinke broodkorst op de bodem. Zoals men kan zien, zaten. Theo en ik in de Boswetering te vissen, waar het niet mocht. 2007


Ook wij hadden een bootje gehuurd bij Peter Groeneveld en zijn naar de plassen en de Boswetering geroeid en kwamen er daar een week later achter dat we er helemaal niet mochten vissen. Er staat nu een bord van Natuurmonumenten in het water van de Boswetering. Na even zoeken op vergunning van Peter Groeneveld, stond het inderdaad aangegeven. U bent dus gewaarschuwd.

Wat ik wel opmerkelijk vind, is dat je op de eerste plas, het overgebleven water van Peter Groeneveld, wel met drie (3) hengels mag vissen en dat mag uniek worden genoemd.
Dit komt zeker de karpervisser ten goede.

Al met al, is het een ellendig einde van een prachtig stuk viswater met zijn prachtige plassen en waar we ruim 35 jaar van hebben genoten.

 
naar boven
 

© Leo Olierook Sportsfishing Adventures 2008-2012

  Webdesign by Theo J. de Wit

Google Sitemap Generator