Leo Olierook Fishing Adventures

    Homepage || Meerval specials|| TheorieŽn over de aanwezigheid van de Meerval in Nederland
 

    
 
TheorieŽn over de aanwezigheid van de Meerval in Nederland


Martinus Houttuyn (1765) over de Glanis of Europische Meirval:
De Meirval wordt niet alleen in verscheidene Meiren van Switzerland en Sweeden , maar ook in de bogten en kreeken van het Haarlemmer-Meir gevonden.
Ongemeen groot wordt deeze Visch.
De laatstgemelde Heer geeft een zeer omstandige Beschryving van zulk een Visch uit het Haarlemmer Meir.
Voor de Jooden een verbooden Spyze. By de Kristenen, in tegendeel, wordt hy, op sommige plaatsen, beter dan Salm geagt.



Prof.H. Schlegel (1862) over DE VAL. SILURUS GLANIS.

De V a l, ook M e e r v a l en V i s c h d u i v e l genoemd, is een zeer groote visch, die onder de inheemsche visschen gemakkelijk te herkennen is aan zijne gladde huid, kleine rugvin en zeer lange draden aan den snuit.
De kop is zeer groot; de snuit tamelijk kort maar breed en van voren half cirkelvormig, zoodat zich de mondopening als eene zeer ruime dwarsspleet vertoont. De val behoort eigenlijk in het oostelijk Europa te huis
In ons land werd de Val in de vorige eeuw menigvuldig in het Haarlemmermeer aangetroffen; in deze eeuw werd hij er slechts in zeer klein aantal gezien, en komt ook nu nog, na de droogmaking van dit meer, maar zeer zeldzaam, in andere in de nabijheid gelegene meertjes voor.

De val heeft in de streken, waar de voorwaarden tot zijne ontwikkeling gunstig zijn, de lengte en zwaarte van eenen grooten man. Hij houdt zich bij voorkeur aan de oevers van modderige wateren op, en loert in gaten verscholen, op zijnen buit, die in visschen, watervogels en allerlei andere dieren bestaat: men zegt zelfs, dat zeer groote voorwerpen somtijds de aan het water spelende kleine kinderen aanvallen. Hij zwemt niet schielijk. In den tijd der voortteling, die in Junij plaats heeft, ziet men het mannetje met zijn wijfje gezellig.
De eijeren zijn groen, klein, naar evenredigheid in klein getal, en de groei der jongen heeft zeer langzaam plaats. Het is om deze reden, dat de val zich niet sterk vermeerdert, en nergens in grooten getale aangetroffen wordt.



Baron von Ehrenkreutz (1863) over de Val:

De v a l (Siluris glanis), Duitsch Der Wels of Flusswels, roofvisch. De val ook wel meerval of vischduivel genaamd is ontegenzeggelijk de grootste visch die in onze Binnenwateren wordt waargenomen. Volgens G r o n o v i u s werd hij in de vorige eeuw in ons land in groote menigte aangetroffen in het thans drooggemaakte Haarlemmermeer; doch allengs werd dit getal geringer, en thans worden nog slechts zeer zeldzaam enkele vallen in andere in de nabijheid gelegen meertjes waargenomen.

Zijn voedsel bestaat uit roof en wegens zijne grootte is het de gevaarlijkste roofvisch; want hij verslindt zelfs eenden en ganzen, en het is niet zelden gebeurd, dat hij kalveren en veulens, wanneer zij een stroom naar eenen waard overzwommen, aanviel en naar beneden trok.
Niet ver van Thorn, werd den 3 Julij 1700, een groote val, die een kind verslonden had bij het rondzwemmen langs de watervlakte, door een boer gedood.

Zijn paartijd heeft in Mei en Junij plaats. Hij vermeerdert zich niet sterk, want zijne groene eijeren, wier getal zoo men wil wel 17,000 bedraagt. vinden in den aal, den kwabaal, zeestekelbaars, en in andere visschen geduchte vijanden.
Hij groeit en zwemt langzaam, houdt zich meestentijds in het slijk of onder waterplanten op, waar hij op buit loert, dien hij zeer listig weet te lokken en te vangen.
Bij de uitwatering der beken, legt hij zich in de meest mogelijke diepten in hinderlaag, en speelt met zijne baarddraden; de visschen, in den waan, dat dit wurmen zijn, worden gelokt, en door hem verslonden.
Hij ligt gewoonlijk achter gezonken boomstammen, balken of visschersbooten en loert op roof.



A.A. van Bemmelen (1866) over de Meerval:
SILURUS GLANIS
De meerval is menigvuldig in het Haarlemmer-meer of in de naburige wateren, welke met het Meer in gemeenschap staan en waar dagelijks een groot aantal visschen bijeen zijn, zoodat zij niet zelden in de netten der vissehers gevangen worden.
De meerval houdt zich op in de bogten en kreeken van het Haarlemmer-meer.

Deze soort was in de laatste vijftig jaren tot aan de droogmaking van het Haarlemmer-meer (in 1836) minder algemeen, terwijl zij sedert dien tijd nog zeldzamer voorkomt in de daar om heen gegraven, zoogenaamde Ringsloot en eenige naburige veenplassen en kleine meren; onder anderen worden in Mei 1865 2 individuen van circa 4 voet in het Kager-meer gevangen.
Op 29 Mei 1864 werd in den Amstelveenschen poel ťťn individu van circa 5 voet gevischt; aldaar worden sedert de droogmaking van het Haarlemmer-meer nu en dan kleine voorwerpen gevangen

De meerval is ook waargenomen in het Uddeler-meer (tusschen Gardener en Apeldoorn) in Gelderland; in 1825 werd aldaar een groot individu gevangen; door een visscher in de nabijheid van dat meer woonachtig is mij verzekerd, dat er later nog meer gezien waren.



H.Aalderink (1911) over DE MEERVALLEN. (Silurus Glanis.):

Vooral in het Haarlemmermeer werden destijds nog al zware exemplaren gevangen. Na de inpoldering van dat meer, werden ze nog enkele malen in de ringvaart of in de nabijheid daarvan aangetroffen.
De paartijd is ongeveer Juni.
Bijzonder vruchtbaar is de meerval niet. De eieren zijn klein van stuk en groen gekleurd, welke kleur ook de jonge visschen hebben. Vooral de groote meerval is zeer vraatzuchtig. Evenals de snoek is zoowat alles van zijn gading.



Dr.H.C. Redeke (1941) over de Meerval (Silurus glanis L.):

Verspreiding: de Meerval bewoont Oost- en Midden-Europa en is vooral talrijk in het stroomgebied van den Donau. In dat van den Rijn komt hij slechts sporadisch voor, evenals in Frankrijk, doch in de landen om de Oostzee is hij op sommige plaatsen, o.a. in het Frische Haff en het gebied van den Oder, tamelijk algemeen. In Noorwegen en op de Britsche eilanden ontbreekt hij.

Volgens L.Th. Gronovius (1754) kwam de Meerval, oudtijds ook "Vischduivel" genoemd, destijds veelvuldig in het Haarlemmermeer voor; sinds de droogmaking, die in 1852 voltooid was, wordt hij nog af en toe in de Ringvaart en sommige vroeger met het meer in verbinding staande wateren, den Westplas bij Aalsmeer, de Kagerplassen en den Amstelveenschen Poel, gevangen



Dr.H.Nijssen en Dr.S.J.De Groot (1987) over de Meerval:

Nederlands hengelrecord 102 cm. Door de natuurbeschermingswet totaal beschermd.
Meervallen zijn vrij zeldzaam. Zij kwamen tot in de zestiger jaren van oudsher (van vůůr 1852) in enkele noord- en zuidhollandse meren voor (o.a. Haarlemmermeergebied), waar ze regelmatig werden aangetroffen (Westeinderplas, Kagerplas en aanliggende vaarten.
In 1966 heeft de Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij (OVB) meervallen uit het Donaugebied geÔmporteerd (de zogenaamde Hongaarse meerval). Met deze dieren werden kweekexperimenten in de Noordoostpolder uitgevoerd, waarbij exemplaren via het Veluwemeer zijn ontsnapt.

Dit verklaart de meldingen sinds 1973 van de volgende plaatsen in het IJsselmeergebied: Drontse Diep, Ketelmeer, Enkhuizen, Gouwzee, IJssel, Kornwerderzand en Lauwersmeer.
Meervallen werden in 1973 door de wet beschermd, waarna de kweekexperimenten werden afgesloten; de meervallen werden aan Duitsland verkocht.
Het is niet na te gaan of er in die periode weer exemplaren zijn ontsnapt of losgelaten. Het is opmerkelijk, dat sinds 1972 meervallen worden gemeld in het stroomgebied van Rijn en Waal (Hollands Diep, Biesbos, Volkerak, Haringvliet, Botlekgebied).

Meervallen zijn in de nacht actief; het zijn overdag bodemvissen, die zich bij voorkeur in een holte verschuilen. Zij eten voornamelijk vis.
Verspreiding: in plassen en vaarten in het voormalige Haarlemmermeergebied (Westeinder- en Kagerplas en vaarten).
Door ontsnapping en uitzetting na kweekexperimenten met uit de Donau afkomstige exemplaren, na 1972 aangetroffen in het IJsselmeergebied en in het stroomgebied van Rijn en Waal. Sinds 1985 ook aangetroffen in de Maas.



Nawoord:
Over de herkomst van de geÔsoleerde Haarlemmermeer populatie van Silurus Glanis lopen de meningen van de auteurs uiteen. Sommigen achten het waarschijnlijk, dat hij afstamt van in vroeger dagen naar Nederland overgebrachte exemplaren, anderen hellen over tot de veronderstelling, dat de Meerval een relikwie is uit tijden van een groter verspreidingsgebied.

Er bestaat echter nog een derde mogelijkheid en wel deze, dat de Meerval, hetzij in voor historische, hetzij in vroeg historische tijd, inderdaad van Zwitserland via de Rijn ons land is binnengekomen en tot in het toenmalige, uitgestrekte Haarlemmermeer gebied is doorgedrongen.

De Rijn stond nog in het begin van onze jaartelling door de vele waterlopen met de Zuid-Hollandse meren in verbinding en daar dit watercomplex in uitgestrektheid en wellicht ook in diepte alle andere meren in het deltagebied overtrof, is het denkbaar, dat deze grootste zoetwatervis alleen hier de hun passende levensvoorwaarden hebben gevonden en zich, zij het ook in geringer aantal, tot op de huidige dag kunnen handhaven.



De Nederlandse meervallen behoren tot een natuurlijk bestand, uniek in West-Europa. De soort komt in Nederland wijder verspreid voor dan algemeen werd aangenomen, doch de populatiedichtheid schijnt op de meeste plaatsen (behalve de Westeinderplas) matig tot zeer gering.
Zal echter de volledige bescherming van de soort in de nabije toekomst nog steeds noodzakelijk zijn?
De meerval heeft toch al bewezen, zich honderden en honderden jaren staande te kunnen houden!



 
naar boven
 

© Leo Olierook Sportsfishing Adventures 2008-2012

  Webdesign by Theo J. de Wit

Google Sitemap Generator